Tikupezekera

Otherland

We gaan door de rivier van het blauwe licht. Op dit moment is dat haast letterlijk zo, nu het blauwe licht van de vroege ochtend weerkaatst op de witte muren. We gaan door de rivier van het blauwe licht: dat komt uit een boek dat we lezen. Al jarenlang lezen Johanneke en ik elkaar boeken voor. Volgens mij hebben we alle Harry Potter-boeken aan elkaar voor gelezen, de verhaaltjes van Toon Tellegen, en nu zijn we net begonnen in deel drie van de serie Otherland van Tad Williams. (Toen we wisten dat we naar Zambia gingen, zijn we maar in het Engels verder gaan lezen om de uitspraak van Engels te oefenen.)

In Otherland zit een groep mensen vast in virtuele computerwerelden. Ze reizen van de ene verzonnen wereld naar de andere: ze komen in een Zuid Amerika als het niet ‘ontdekt’ zou zijn door de blanken, in een reusachtige natuurwereld waarin ze zelf kleiner zijn dan een mier, in het land uit ‘de tovenaar van Oz’, en ga zo maar door. Door al die werelden stroomt een rivier. En je reist van de ene naar de andere wereld door in die rivier van het blauwe licht te springen. Zo voelt het nu ook.

Gisteren hebben we de sleutels van onze pastorie in Oudenhoorn ingeleverd. Samen met Johannekes ouders hebben we de laatste dingen schoongemaakt, de laatste dingen meegenomen, en nu is de tijd dat we in die wereld waren voor ons voorbij. Onze spullen zijn het huis uit: de mooie oranje bank, de grote eettafel, de dvd’s waar we van genoten hebben. De voorkamer ziet er weer uit zoals vier jaar geleden, toen ik met een uit behangpapier geknipte vorm op de lege vloer probeerde te kijken hoe onze toen nieuwe bank er zou passen.

Vier jaar geleden kwamen we daar, over de mooie, kronkelende dijkjes met tussen de mistflarden de fazanten op het land: het accent van de mensen dat zo anders klonk daar bij Rotterdam dan wat we gewend waren in Groningen; de benzinegeuren wanneer je aan kwam rijden door de Botlek. Vanuit het studentenleven in het hoge noorden gingen we door de rivier van het blauwe licht, en nu zijn we in de volgende rivier gestapt, op weg naar Afrika.

Rivier van blauw licht

Uit de boeken die we over Afrika lezen, horen we dat als je voor het eerst in Afrika uit het vliegtuig stapt, dat je dan meteen merkt hoe anders en eigen het daar is. Met het klimaat, het weer hoe dat daar aanvoelt, maar vooral ook de geuren. Het ruikt vast anders daar dan in de Botlek, maar de geur van Afrika schijnt zo specifiek te zijn dat je dat meteen herkent, dat je meteen weet ‘hier ben ik in een andere wereld’. Het landschap zal er anders uitzien, de mensen zien er anders uit, en de klanken zullen daar ook anders zijn – wanneer we daar aan de andere kant weer uit de rivier van het blauwe licht stappen.

Het Engels van de Afrikanen die we hier spreken, heeft altijd al een heel eigen klank. En de lokale talen klinken natuurlijk nog eigener. We hebben afgelopen donderdagavond weer les gehad in het Chichewa. Daar over doorpratend op de terugweg in de auto deden we een grappige ontdekking. We hadden al eens het woord voor ‘zwemmen’ geleerd: -sambira. Afgelopen donderdag leerden we dat ‘ira’ of ‘era’ aan het eind van een werkwoord een richting aangeeft: je doet iets ergens heen. En we hadden ook al eens het woord voor ‘zich wassen’ geleerd: -samba. -Sambira, zwemmen, betekent dus eigenlijk: zich ergens heen wassen!

De titel van dit blog, tikupezekera, bestaat eigenlijk niet – ik heb het niet op internet terug kunnen vinden in elk geval. Tikupezeka bestaat wel, dat betekent zoiets als ‘wij zijn ons ergens aan het bevinden’. Ik heb daar nu ook maar ‘era’ achter gezet. Zo zijn we hier nu bezig. We gaan door de rivier van het blauwe licht – tikupezekera, we zijn ons ergens heen aan het bevinden.

Advertenties

Onderweg naar Zambia

In ons nieuwe huis

Vanavond zit ik voor het eerst aan tafel in ons verblijf in Utrecht. Gisteren zijn de verhuizers bij ons in Oudenhoorn langs geweest en hebben bijna al onze spullen in vijf grote kisten gestopt. Terwijl de verhuizers druk waren met het inpakken van de spullen, hadden wij ons teruggetrokken in twee van de kamertjes die we over hadden in de pastorie. Vandaag, in Utrecht, zijn twee zulke kamertjes onze hele woning. We wonen nu in een klein appartement in het Guesthouse van de Protestantse Kerk in Nederland.

Het begint al een klein beetje als ons huis te voelen. We zitten nu tussen de planten. In Oudenhoorn hadden we er nog wat over en mijn moeder wilde die wel hebben. Morgen nemen we ze mee naar Vorden – mijn vader en nichtje zijn zondag jarig – maar we laten er toch ook wat staan. Het stelt misschien niet veel voor, maar die planten maken er echt een leefbaar huis van.

Twee maanden zitten we hier nog. Vorige hebben we de datum van ons vertrek gehoord: 14 december. Doordat we de datum weten, komt het ineens veel dichterbij: het is echt zo! En nu zijn onze spullen ook al weg. Eén kist op het schip naar Zambia, en vier kisten naar de opslag van het verhuisbedrijf. Toen we gisteravond laat na onze taalles (Chichewa) in Leiden hier naartoe reden, kwamen we langs Alphen aan de Rijn waar de verhuizer zit. “Moni zinthu”, zei Johanneke – “dag spullen”…

Onderweg naar Zambia: we hebben een vliegdatum, onze spullen zijn ingepakt, nu nog een uitzenddienst – samen vormen ze het ‘overgangsritueel’, zoals een vriendin het afgelopen weekend noemde. We gaan uitgezonden worden vanuit de classis Buitenpost. Vorige week hebben we onszelf daar voorgesteld. Het was leuk weer terug in het noorden te zijn. Voor een fikse groep mensen die zich enthousiast inzetten voor zending in de verschillende gemeentes, mochten we vertellen wat wij gaan doen. En in één van die gemeentes zal de uitzenddienst zijn, op 11 december. De laatste stap voor we echt gaan. Vandaag op de kop af over twee maanden. Ik zal zo eens gaan tellen hoeveel nachtjes slapen dat nog is…

De macht van woorden

Tijdens onze taallessen krijgen we veel mee van hoe men in Zambia en Malawi leeft en denkt. Het leren van een nieuwe taal is een frustrerende, maar ook een heel mooie ervaring. Frustrerend omdat het nu nog zo veel denkwerk kost om een heel eenvoudige zin te maken; en mooi omdat taal eigenlijk een kijkje in de ziel van de cultuur geeft. Wat in een cultuur aanwezig is en belangrijk is, daar zijn woorden voor. Het zal vast geen toeval zijn dat het woord voor ‘dier’ in het Chichewa ook ‘vlees’ betekent. Kennelijk is voedsel verschaffen een belangrijke functie van een dier.

Ook verhelderend zijn de leenwoorden uit het Engels; bijvoorbeeld tebulo [table], foloko [fork], supuni [spoon], sitolo [store], en (mijn persoonlijke favoriet) nyuzipepala [newspaper] – daar waren dus nog geen woorden voor in de tijd voor de kolonisatie. Ook het woord voor kerk [tchalitchi] komt van het Engelse church. Was er dan geen godsdienst in Zambia voordat de Engelsen kwamen? De eerste missionarissen in Afrika dachten dat de mensen daar geen eigen religie hadden: er waren geen heilige geschriften en godsdienst bestond niet als een apart onderdeel van de samenleving. Dat bleek een grote misvatting: de meeste Afrikanen zijn overtuigd van het bestaan van een geestenwereld die positieve en negatieve invloed uitoefent op de wereld en hun leven.

Woorden zijn belangrijk in Afrika. Wanneer je iets benoemt, laat je het daarmee ook ontstaan. Als een boze moeder haar zoon bijvoorbeeld uitmaakt voor een hond, zal het kind karaktereigenschappen van een hond krijgen: hij zal kwaadaardig worden en te veel tijd doorbrengen met buiten rondhangen, zo is de overtuiging. AIDS is onbespreekbaar, omdat het noemen van de ziekte die veroorzaken kan. Als woorden zoveel macht hebben, is het niet moeilijk om verstrikt te raken in een web van invloeden van buitenaf. Een antropoloog probeerde zijn informanten te bevrijden, door uit te leggen dat de moderne, westerse taaltheorie anders werkt: woorden zijn niet meer dan labels die verwijzen naar zaken die al bestaan. Hij kreeg geen voet aan de grond met zijn betoog; de informanten vonden het maar een beperkte kijk op taal.

De Afrikaanse macht van woorden is ons, westerlingen, vreemd. Toch denk ik dat de antropoloog hier iets over het hoofd zag. Want ook hier zijn woorden meer dan een objectieve beschrijving van een zaak buiten ons. Schrijvers en dichters weten dat al lang. In één van mijn favoriete boeken redt een meisje de kerstman, en zorgt er zo voor dat de zon ook na de langste nacht weer zal opgaan. Ze vraagt: ‘Maar was de zon dan anders niet opgegaan?’ Het antwoord is: ‘Nee, de zon zou niet zijn opgegaan. Een bol van gloeiend gas zou de aarde hebben verlicht, maar de zon zou niet zijn opgegaan’ (naar Terry Pratchetts Hogfather). En één van mijn andere helden, Daniel Lohues, zingt:

En zie’j ‘t verschil
tussen wereld en planeet

En de liefde
Ja de liefde
De liefde is het verschil

De weg is heilig
Heilig is weg
Ik heb het vaak dacht
Mar nooit hardop zegt
Ik maakte dit lied
Zoda’k ‘t nooit meer vergeet
Der is ‘n verschil
tussen wereld en planeet

En de liefde
Ja de liefde
De liefde is het verschil