Kleren maken de man

20170318-DSC_3019-bewerkt

Een mooi pak – van Westerse snit, en met een goede stropdas – is voor onze studenten een eerste levensbehoefte. Het wordt gedragen bij bijzondere gelegenheden, zoals een bijzondere dienst aan de universiteit, of in de kerk. Niet gek, misschien, voor studenten die predikant willen worden (hoewel ik moet zeggen dat er bij de theologie opleiding in Groningen slechts een enkeling wel eens een pak aan had, en Hermen zelfs weigerde om voor zijn bruiloft een pak aan te schaffen…) Een bril staat voor onze studenten veel lager op de ranglijst van dingen die je moet hebben. Je moet er goed uitzien; of je zelf ook iets ziet is van later zorg, zo lijkt het.

Het is niet de keuze die ik zou maken. Eigenlijk is dat precies de kern van een dilemma in hulpverlening en ontwikkelingssamenwerking. Waar wordt het geld aan besteed? Wat zijn de prioriteiten, en zijn de prioriteiten van de ontvanger hetzelfde als van de gever? We kijken er hier van op als er weer een kerk een auto aanschaft voor de predikant. Is dat nou het belangrijkste? Kun je het geld niet beter besteden? Waarom koop je een duur pak, of een mooi mobieltje, als je eigenlijk ook een bril nodig hebt? Aan de andere kant, we willen mensen niet betuttelen; niet in een minderwaardige afhankelijkheidsrelatie dwingen. Dus is zelfbeschikking belangrijk – geld uit laten geven aan de doelen die de ontvanger zelf stelt, ook als de gever zelf denkt dat andere doelen waardevoller zijn.

Kleren maken de man, hier in Zambia. Het aanzien dat een mooi pak of een grote auto geven, staat hoger aangeschreven dan goed kunnen zien. De man in deze foto heeft een bril, betaald door hulp van een buitenlandse kerk. Wat zou hij gekocht hebben als hij niet een bril, maar geld gekregen had? En kunnen of mogen wij daarover oordelen?

Het staat hem goed, het pak, en de bril. We laten het maar zo.

Advertenties

Wat is Satanisme?

Een onderzoek naar Satanisme in Zambia – is dat niet eng? Het is een eerste reactie die ik vaak hoor als ik familie en vrienden vertel over mijn onderzoeksonderwerp.

Satanisme – of het nu gaat over Zambia of elders op de wereld – is een verwarrende term. “Er is een bijna Babylonische spraakverwarring rond het gebruik van de term Satanisme,” schrijft de Nederlandse historicus Ruben van Luijk in zijn boek over de geschiedenis van Satanisme.  Aan de ene kan wordt Satanisme door buitenstaanders gebruikt wordt als waardeoordeel, bijvoorbeeld als  Christenen yoga, Harry Potter of tarotkaarten satanistisch noemen. Aan de andere kant zijn er groepen, zoals de Church of Satan of de Temple of Set waarvan de aanhangers zichzelf aanduiden als Satanisten. Wetenschappers in het opkomende gebied van Satanisme-studies maken daarom graag een onderscheid tussen Satanisme als naam voor een hedendaagse religieuze overtuiging en anti-Satanisme als een door anderen toegekend negatief waardeoordeel.

Het is een nuttig onderscheid, maar lastig toe te passen op de verhalen over Satanisme in Zambia. De meest uitgebreide verhalen zijn getuigenissen van ex-Satanisten. Deze getuigenissen worden gegeven in kerkdiensten of op religieuze radio- en tv-programma’s. Ex-Satanisten vertellen hoe zij in het verleden Satanist zijn geworden, en hoe ze als Satanist familieleden hebben geofferd, verkeersongelukken hebben veroorzaakt, en ervoor hebben gezorgd dat Christenen van hun geloof afvielen. Als beloning hiervoor kregen ze, volgens de getuigenissen, geld, een huis, een auto, of een indrukwekkende titel. Uiteindelijk zijn ze echter weer Christen geworden, over het algemeen nadat een predikant voor hen gebeden heeft. Gaan deze getuigenissen over Satanisme, aangezien de vertellers zich zelf zo noemen, of is het een geval van anti-Satanisme, aangezien de boodschap van de getuigenis een negatief waardeoordeel behelst?

In Zambia is Satanisme meer dan een waardeoordeel over bepaalde groepen en individuen. Satanisme is in Zambia ook gerelateerd aan de ervaringen van de jonge mannen en vrouwen die zichzelf (voormalig) Satanist noemen. Hun verhalen zijn niet zomaar uit de duim gezogen om anderen in een kwaad daglicht te stellen. De vertellers zijn ervan overtuigd dat Satanisme hen is overkomen. Die ervaringen hebben overigens weinig te maken met groepen als de Church of Satan die in Nederland ook wel bekend zijn. De Church of Satan geeft aan geen uitspraken te doen over waar hun leden vandaan komen, maar een woordvoerder zegt zich niet te herkennen in de beschrijving van Satanisme die uit de getuigenissen blijkt.

Op basis van deze overwegingen definieer ik Satanisme in Zambia als volgt: Satanisme verwijst in Zambia naar een veronderstelde organisatie, bestuurd door Satan, en gewijd aan het veroorzaken van kwaad en ongeluk, in het bijzonder gericht tegen Christenen. Ex-Satanisten claimen en/of ervaren dat zij aanhanger zijn geweest van deze organisatie.

Is onderzoek doen naar Satanisme eng? Mijn onderzoek is niet gebaseerd op participerende observatie bij religieuze bijeenkomsten of rituelen. Zoals blijkt uit mijn definitie is Satanisme in Zambia geen nieuwe religieuze beweging. Wat ik onderzoek is het Zambiaanse complex van ideeën over Satanisme, en de manier waarop de mensen die zeggen ex-Satanist te zijn zich deze ideeën eigen maken. Niet eng, wel fascinerend – en af en toe ook verontrustend.

Zambiaanse verhalen over Satanisme

In 2013 bekende Grace dat ze Satanist was geweest. Haar verhaal is één van de vele verhalen over Satanisme die rondgaan in Zambia. Grace is een jonge vrouw van een jaar of twintig. Haar vader overleed toen ze nog heel jong was, en in haar jeugd woonde ze afwisselend bij haar moeder in een stadje in de provincie en bij verwanten in Lusaka. Net zoals veel andere jonge volwassenen in Zambia heeft Grace geen baan, en kost het haar moeite om rond te komen. Maar ze ziet er stijlvol uit als ik haar ontmoet, met een zwarte rok, een rode blouse en bijpassende rode oorbellen. Dit is wat ze me vertelde:

“Ik droomde dat ik op een feestje was met vrienden. Ze gaven me een drankje. Toen ik het opdronk, realiseerde ik me dat het bloed was. Toen wist ik dat ik Satanist was geworden. Als Satanist kreeg ik de opdracht om iemand te vermoorden. Ik probeerde mijn tante te doden, maar het lukte niet. In plaats daarvan zorgde ik ervoor dat haar dochter ziek werd en overleed. Daarna kreeg ik een hogere rang; ik werd koningin van de Eastern Province. Ik zorgde ervoor dat satanische producten verkocht werden in de supermarkt. We gebruikten bijvoorbeeld foetussen voor de halve gebraden kip. Wat als vis verkocht werd waren eigenlijk de handjes van baby’s, en de rijst waren maden uit de hersenen van een lijk. In de kerk stalen we de boodschap van de dominee, zodat de kerkgangers de preek niet konden onthouden, en we zorgden ervoor dat mensen tijdens de dienst in slaap vielen.”

Het verhaal van Grace is afschuwelijk. Maar het is een verhaal dat in heel Zambia bekend is. Volgens de verhalen veroorzaken Satanisten ziekte en dood. Ze verkopen je bloed en organen, en veroorzaken verkeersongelukken. Ze proberen je in hun macht te krijgen door je producten te verkopen die onschuldig lijken, maar eigenlijk satanisch zijn. In hun dromen gaan de Satanisten naar een wereld onder de zee of onder de grond, waar ze Satan ontmoeten en beloningen krijgen voor hun acties.

In Afrika circuleren dergelijke verhalen over Satanisme sinds het midden van de jaren ’80. Via rondtrekkende predikers zijn ze in de jaren ‘90 ook in Zambia terecht gekomen. Tien jaar geleden werd het fenomeen echt zorgwekkend. Op sommige scholen brak paniek uit omdat leerlingen elkaar en hun docenten verdachten van betrokkenheid bij Satanisme. Ziekenhuizen meldden dat patiënten bang waren op bloed te laten afnemen, omdat dit bloed misschien bij Satanisten terecht zou komen. Af en toe leiden beschuldigingen van Satanisme tot geweld. Bijvoorbeeld in 2013, toen rellen uitbraken in Katete nadat een schoolmeisje dood was gevonden. Een boze menigte concludeerde dat de Indiase eigenaar van een aantal winkels haar aan Satan had geofferd, en er gingen geruchten dat er een koelbox met haar lichaamsdelen bij hem was gevonden. De menigte vernielde en plunderde zijn winkels.

Sindsdien is de intensiteit van de publieke fascinatie met Satanisme wat afgenomen, maar predikanten die bekend staan als specialisten vinden nog elke week nieuwe gevallen van Satanisme, en mensen die zeggen in het verleden Satanist te zijn geweest geven getuigenissen in kerken en op radio en tv. Opnames van hun verhalen worden gedeeld onder vrienden en op Facebook, en nieuwe bekentenissen zijn soms het gesprek van de dag. In mijn proefschrift onderzoek ik deze verhalen.

Spreken van Satan in Zambia

Het is twee uur ‘s nachts in een provinciestad in Zambia. Het is donker; iedereen slaapt. Af en toe klinkt het geluid van blaffende honden. Maar bij de kerk zijn de lichten aan, en het geluid uit speakers draagt ver in de stille nacht. Binnen zijn mensen aan het zingen en bidden, en dominees wisselen elkaar af op de preekstoel. Zulke nachtelijke gebedsdiensten zijn in trek in Zambia, vooral bij de jeugd.

Opeens staat een meisje van een jaar of twaalf op. Ze loopt naar de uitgang van de kerk. “Waar ga je zo laat nog heen?” vraagt iemand. Het meisje lijkt overstuur. “Ik kan zo niet verder leven,” zegt ze. Wat bedoelt ze? In de gemeente staat ze bekend als een actief kerklid, vol geloof. Er worden meer vragen gesteld, maar het meisje zakt in elkaar. Een dominee wordt erbij geroepen. Hij knielt naast haar neer en draagt de duivel op om haar 20170613-cover with snakes and crosses 3te laten gaan.

Het meisje komt weer bij, en ze vertelt een opmerkelijk verhaal. “Ik ben een Satanist, en ik ben naar deze gebedsbijeenkomst gestuurd om verwarring te zaaien,” bekent ze. “Ik heb ervoor gezorgd dat de dominee van deze kerk niet kan bidden. En dat zijn preken zo saai zijn dat de luisteraars niet wedergeboren kunnen worden. Wie in deze kerk bezeten is door demonen zal niet bevrijd worden.” Er heeft zich inmiddels een groep luisteraars rond het meisje verzameld.

“Weet je nog, dat hele erge ongeluk op de weg van Ndola naar Kitwe?” zegt ze, “Dat heb ik veroorzaakt.” De toehoorders schrikken. Verschillende gemeenteleden hebben familieleden verloren in het ongeluk. Sommigen beginnen te huilen. Het meisje gaat verder: “De duivel heeft beloofd me tot koningin te kronen onder de Indische Oceaan als het me lukt om 1.000 mensen te doden. En dat ik een popster zal worden, zoals Nicki Minaj of Wiz Khalifa. Of dat ik zal gaan trouwen met de president van een land van mijn keuze.”

De bezoekende predikant begint opnieuw voor haar te bidden. Hij probeert de invloed van de duivel op het meisje te doorbreken. Het bidden gaat urenlang door, maar om vijf uur ’s ochtends verklaart de predikant dat ze bevrijd is, de demonen zijn uitgedreven. Het meisje toont berouw over haar verleden als Satanist. Ze is nu weer een goed Christen.

Als je van de duivel spreekt, trap je op zijn staart, volgens een oud Nederlands spreekwoord. Het drukt uit dat degene waarover je praat vaak plotseling op dat moment opduikt. In Zambia wordt er tegenwoordig veel over de duivel en zijn menselijke helpers de Satanisten gesproken. Tijdens gebedsdiensten die de hele nacht duren, maar ook op school en op de markt, met vrienden en collega’s. In mijn proefschrift onderzoek ik verhalen en gebeurtenissen die te maken hebben met Satanisme om uit te vinden waarom dit in Zambia zo’n hot issue is.

Hoe kunnen mensen een meisje van twaalf geloven als ze zegt dat ze een ongeluk heeft veroorzaakt terwijl ze er niet eens in de buurt was? Hoe is het mogelijk dat dit meisje het gelooft over zichzelf? Hoe kunnen mensen verhalen over Satanisme serieus nemen, zo serieus dat er soms rellen om ontstaan, en scholen en ziekenhuizen hun werk niet meer kunnen doen? Waarom geven predikanten aandacht aan deze verhalen in hun kerkdiensten? Al deze vragen komen samen in de hoofdvraag van mijn onderzoek: Waarin ligt de overtuigingskracht van verhalen over Satanisme in hedendaags Zambia?

Mijn proefschrift is inmiddels af, en in de komende weken wil ik mijn bevindingen graag delen op dit blog.

Land van gebroken dromen

Zimbabwe is een bijzonder land. Het ziet er meer geordend en ontwikkeld uit dan Zambia. Tegelijkertijd weet iedereen dat het een land met grote problemen is. Een deel van onze studenten komt uit Zimbabwe. Onderweg van Lusaka naar Pretoria in Zuid-Afrika hadden we gelegenheid twee oud-studenten die inmiddels dominee zijn te bezoeken.

Tafadzwa is dominee in de presbyteriaanse kerk in één van de wijken van Harare, de20170603-DSC_5793-bewerkt hoofdstad van Zimbabwe. Hij woont in Lovemore House, een voormalig weeshuis dat nu dienst doet als gastenverblijf en cursuscentrum. De afgelopen maanden verbleven er twintig evangelisten voor een training in de vier slaapzalen van het huis – een hele drukte, lijkt me.

“Hoe gaat het met jullie?” vraag ik Elizabeth, Tafadzwa’s vrouw die ons begroet als we aankomen. “Ach, we redden het wel,” zegt ze. Het is moeilijk om rond te komen in Zimbabwe. Tafadzwa’s gemeenteleden hebben het niet breed, en hij verdient dus maar weinig. Elizabeth wil graag een baan, maar die heeft ze nog niet gevonden. Gelukkig geeft Tafadzwa ook les op een middelbare school, en af en toe geeft hij ook college op een predikantenopleiding. Elizabeth is druk in de weer met haar tuin. De groente gebruikt ze zelf, en een ander deel gaat naar de markt. In een schuur bij Lovemore House houdt een groepje vrouwen uit de buurt kippen.

20170603-DSC_5727

Tafadzwa en Elizabeth hebben grootse plannen met Lovemore House. Ze willen graag uitbreiden, zodat er meer mensen kunnen slapen. En zelf trainingen geven voor evangelisten, of voor andere groepen gemeenteleden. De uitbreiding gaat nog wel moeilijk worden. Behalve dat het geld kost staat Lovemore House naast een barak van het Zimbabwaanse leger. Daar willen ze graag een vrij schootsveld houden, en veel bouwplannen worden dus afgekeurd.

20170603-DSC_5728

Shingi is een andere oud-student, en ook predikant in Harare. Ze laat ons trots haar flatje in het centrum zien: kleine keuken, badkamer, slaapkamer, en een lege woonkamer. Er staat een kast, een stoel, en op de grond ligt een matras waar ook op gezeten kan worden. Shingi’s toga hangt in een hoek. “Eerst had ik een woning in mijn eigen gemeente. Volgens de regels mag twee kamers huren, en moet de gemeente dat bekostigen. Maar ik zag al snel dat het moeilijk zou worden – van mijn gemeenteleden hebben er maar vier een baan. Nu woon ik hier, in een appartement dat van mijn neef is. Dat is beter, omdat als er dan een maand geen geld is voor de huur, hij me er niet meteen uitzet.”

20170603-DSC_5746-bewerkt

Shingi’s gemeente, Warren Park, is in een buitenwijk van de stad. “Je moet weten,” waarschuwt Shingi ons, “dat we eigenlijk geen eigen grondstuk hebben als kerk.” Shingi en haar gemeente zijn squatters – ze hebben een stuk grond in gebruik genomen dat braak lag. Hun buren, een andere presbyteriaanse kerk en een evangelische gemeente, doen hetzelfde. De gemeenteleden hebben van balken en planken een kerk gebouwd. Ze zijn bang dat ze ooit weer weg worden gejaagd, en Shingi hoopt dat de gemeente ooit een eigen stuk grond kan kopen.

20170603-DSC_5731-bewerkt

We rijden een rondje door Warren Park. “Van origine is was deze wijk bedoeld voor mensen die bij de overheid werken, en speciaal voor mensen van de inlichtingendienst,” vertelt Shingi. Inmiddels wonen er ook andere mensen in de huizen in deze wijk. “Het is treurig,” zegt Shingi, “mensen hebben jaren geleden een huis gekocht hier. Ze hebben dus onderdak. Maar er is geen geld voor eten op tafel.” Of voor een tafel om aan te eten, denk ik, terugdenkend aan Shingi’s eigen spaarzame inrichting.

20170603-DSC_5730-bewerkt-bewerkt

Onderweg naar Warren Park komen we door het centrum van Harare. Het is het eind van de maand, en voor de banken staan lange rijen. Een aantal jaar geleden was de inflatie in Zimbabwe zo extreem dat de prijs van een brood ’s ochtends vastgesteld werd, en ’s middags soms al verdubbeld was. In de praktijk betekende dit dat iedereen ging betalen met buitenlands geld, dat tenminste zijn waarde vasthield. Afgelopen jaar heeft de Zimbabwaanse regering nieuwe bankbiljetten uitgegeven, zogenaamde ‘bondnotes’ waarvan de waarde gelijk zou zijn aan de dollar. De bondnotes worden niet door elke winkelier geaccepteerd, en in het buitenland zijn ze niets waard.

Mensen hebben dus nog steeds meer vertrouwen in de dollar dan in hun eigen geld. Een probleem is een tekort aan dollars in het land. Mensen kunnen per dag 20 dollar opnemen van hun bankrekening. Aan het eind van de maand, wanneer het loon is overgemaakt, staan mensen dus in de rij om cash te krijgen. Als je een grote aankoop wilt doen, betekent het dagen achter elkaar in de rij staan, en elke dag 20 dollar opnemen. Omdat het geld op de bank onzichtbaar en relatief onbereikbaar is, is er in Zimbabwe ook weinig vertrouwen in elektronisch betalen. “Gisteren kocht ik iets voor tien dollar via mijn pinpas,” vertelt Shingi, “maar omdat het niet cash was moest ik twaalf dollar betalen.”

20170602-DSC_5689-bewerkt

Rijdend door het mooie Zimbabwaanse landschap denk ik aan de dromen van de bewoners die niet zijn uitgekomen. De Europeanen met hun mooie boerderijen – ze droomden van een nieuw Engeland in Afrika. Na de onafhankelijkheid is hun land verdeeld, land dat nu te vaak braak ligt terwijl de boerderijen en graanschuren op instorten staan. De onafhankelijkheidsstrijders – ze droomden van een Afrikaans Zimbabwe, dat de rest van de wereld wel eens zou laten zien hoe het kon. Nu is er geen werk, en geen geld.

20170602-DSC_5721-bewerkt

Wie zich uitspreekt tegen het systeem loopt gevaar – in de kerk kun je geen politieke uitspraken doen, daar zijn Shingi en Tafadzwa allebei stellig in. Er zijn opstanden geweest, in de afgelopen jaren. Oppositiepartijen met andere plannen. Volksbewegingen rond de vlag van Zimbabwe. Nieuwe hoop. Maar de gevestigde orde houdt vast aan haar macht, en de hoop lijkt vervlogen. Tafadzwa en Shingi: ze lijken niet te durven dromen van een betere tijd. Ze leven bij de dag, bij elkaar sprokkelend wat ze nodig hebben om van te leven. Zimbabwe – land van gebroken dromen…

Werk aan de muur

Het is dit jaar alweer het laatste jaar dat we in Zambia zijn – ons contract heeft een maximale duur van zes jaar, en die zes jaar zitten er in december op. “Wat gaan jullie volgend jaar doen?” wordt ons regelmatig gevraagd.

Hermen heeft al een baan gevonden, als senior post-doctoral fellow bij de Universiteit van Pretoria in Zuid-Afrika. Na Zambia blijven we dus (zoals het er nu naar uitziet) nog even hangen in zuidelijk Afrika. Johanneke heeft haar proefschrift zo goed als af, en hoopt aan het eind van dit jaar te promoveren. En dan? Een droom is om meer te gaan doen met fotografie, en dat te combineren met antropologisch onderzoek. Om dat te financieren is Johanneke begonnen met een webwinkel bij Werk aan de muur, waarin haar mooiste foto’s te koop staan. Neem eens een kijkje, misschien zit er iets bij dat bij jou aan de muur past!

Afstuderen

Afgelopen weekend was de jaarlijkse afstudeerplechtigheid aan Justo Mwale University.

Vijftien studenten studeerden af met een Bachelor of Theology – dit zijn de studenten waar wij les aan geven. Daarnaast kregen negen predikantsvrouwen een diploma, en waren er diploma’s voor meer dan 50 evangelisten. Sinds een paar jaar biedt Justo Mwale ook afstandsonderwijs aan, waaronder een Masters opleiding in theologie en in godsdienstonderwijs. In totaal studeerden er 58 studenten af aan het afstandsonderwijs.

De eregast van de dag was de minister van National Guidance and Religious Affairs. Ze hield een toespraak en reikte de diploma’s uit. Als geschenk ontvingen de theologiestudenten een fiets, en hun vrouwen een naaimachine. Een prachtige, feestelijke dag, en fijn om onze studenten weer te zien!

Meer foto’s zijn te vinden op Facebook!