Land van gebroken dromen

Zimbabwe is een bijzonder land. Het ziet er meer geordend en ontwikkeld uit dan Zambia. Tegelijkertijd weet iedereen dat het een land met grote problemen is. Een deel van onze studenten komt uit Zimbabwe. Onderweg van Lusaka naar Pretoria in Zuid-Afrika hadden we gelegenheid twee oud-studenten die inmiddels dominee zijn te bezoeken.

Tafadzwa is dominee in de presbyteriaanse kerk in één van de wijken van Harare, de20170603-DSC_5793-bewerkt hoofdstad van Zimbabwe. Hij woont in Lovemore House, een voormalig weeshuis dat nu dienst doet als gastenverblijf en cursuscentrum. De afgelopen maanden verbleven er twintig evangelisten voor een training in de vier slaapzalen van het huis – een hele drukte, lijkt me.

“Hoe gaat het met jullie?” vraag ik Elizabeth, Tafadzwa’s vrouw die ons begroet als we aankomen. “Ach, we redden het wel,” zegt ze. Het is moeilijk om rond te komen in Zimbabwe. Tafadzwa’s gemeenteleden hebben het niet breed, en hij verdient dus maar weinig. Elizabeth wil graag een baan, maar die heeft ze nog niet gevonden. Gelukkig geeft Tafadzwa ook les op een middelbare school, en af en toe geeft hij ook college op een predikantenopleiding. Elizabeth is druk in de weer met haar tuin. De groente gebruikt ze zelf, en een ander deel gaat naar de markt. In een schuur bij Lovemore House houdt een groepje vrouwen uit de buurt kippen.

20170603-DSC_5727

Tafadzwa en Elizabeth hebben grootse plannen met Lovemore House. Ze willen graag uitbreiden, zodat er meer mensen kunnen slapen. En zelf trainingen geven voor evangelisten, of voor andere groepen gemeenteleden. De uitbreiding gaat nog wel moeilijk worden. Behalve dat het geld kost staat Lovemore House naast een barak van het Zimbabwaanse leger. Daar willen ze graag een vrij schootsveld houden, en veel bouwplannen worden dus afgekeurd.

20170603-DSC_5728

Shingi is een andere oud-student, en ook predikant in Harare. Ze laat ons trots haar flatje in het centrum zien: kleine keuken, badkamer, slaapkamer, en een lege woonkamer. Er staat een kast, een stoel, en op de grond ligt een matras waar ook op gezeten kan worden. Shingi’s toga hangt in een hoek. “Eerst had ik een woning in mijn eigen gemeente. Volgens de regels mag twee kamers huren, en moet de gemeente dat bekostigen. Maar ik zag al snel dat het moeilijk zou worden – van mijn gemeenteleden hebben er maar vier een baan. Nu woon ik hier, in een appartement dat van mijn neef is. Dat is beter, omdat als er dan een maand geen geld is voor de huur, hij me er niet meteen uitzet.”

20170603-DSC_5746-bewerkt

Shingi’s gemeente, Warren Park, is in een buitenwijk van de stad. “Je moet weten,” waarschuwt Shingi ons, “dat we eigenlijk geen eigen grondstuk hebben als kerk.” Shingi en haar gemeente zijn squatters – ze hebben een stuk grond in gebruik genomen dat braak lag. Hun buren, een andere presbyteriaanse kerk en een evangelische gemeente, doen hetzelfde. De gemeenteleden hebben van balken en planken een kerk gebouwd. Ze zijn bang dat ze ooit weer weg worden gejaagd, en Shingi hoopt dat de gemeente ooit een eigen stuk grond kan kopen.

20170603-DSC_5731-bewerkt

We rijden een rondje door Warren Park. “Van origine is was deze wijk bedoeld voor mensen die bij de overheid werken, en speciaal voor mensen van de inlichtingendienst,” vertelt Shingi. Inmiddels wonen er ook andere mensen in de huizen in deze wijk. “Het is treurig,” zegt Shingi, “mensen hebben jaren geleden een huis gekocht hier. Ze hebben dus onderdak. Maar er is geen geld voor eten op tafel.” Of voor een tafel om aan te eten, denk ik, terugdenkend aan Shingi’s eigen spaarzame inrichting.

20170603-DSC_5730-bewerkt-bewerkt

Onderweg naar Warren Park komen we door het centrum van Harare. Het is het eind van de maand, en voor de banken staan lange rijen. Een aantal jaar geleden was de inflatie in Zimbabwe zo extreem dat de prijs van een brood ’s ochtends vastgesteld werd, en ’s middags soms al verdubbeld was. In de praktijk betekende dit dat iedereen ging betalen met buitenlands geld, dat tenminste zijn waarde vasthield. Afgelopen jaar heeft de Zimbabwaanse regering nieuwe bankbiljetten uitgegeven, zogenaamde ‘bondnotes’ waarvan de waarde gelijk zou zijn aan de dollar. De bondnotes worden niet door elke winkelier geaccepteerd, en in het buitenland zijn ze niets waard.

Mensen hebben dus nog steeds meer vertrouwen in de dollar dan in hun eigen geld. Een probleem is een tekort aan dollars in het land. Mensen kunnen per dag 20 dollar opnemen van hun bankrekening. Aan het eind van de maand, wanneer het loon is overgemaakt, staan mensen dus in de rij om cash te krijgen. Als je een grote aankoop wilt doen, betekent het dagen achter elkaar in de rij staan, en elke dag 20 dollar opnemen. Omdat het geld op de bank onzichtbaar en relatief onbereikbaar is, is er in Zimbabwe ook weinig vertrouwen in elektronisch betalen. “Gisteren kocht ik iets voor tien dollar via mijn pinpas,” vertelt Shingi, “maar omdat het niet cash was moest ik twaalf dollar betalen.”

20170602-DSC_5689-bewerkt

Rijdend door het mooie Zimbabwaanse landschap denk ik aan de dromen van de bewoners die niet zijn uitgekomen. De Europeanen met hun mooie boerderijen – ze droomden van een nieuw Engeland in Afrika. Na de onafhankelijkheid is hun land verdeeld, land dat nu te vaak braak ligt terwijl de boerderijen en graanschuren op instorten staan. De onafhankelijkheidsstrijders – ze droomden van een Afrikaans Zimbabwe, dat de rest van de wereld wel eens zou laten zien hoe het kon. Nu is er geen werk, en geen geld.

20170602-DSC_5721-bewerkt

Wie zich uitspreekt tegen het systeem loopt gevaar – in de kerk kun je geen politieke uitspraken doen, daar zijn Shingi en Tafadzwa allebei stellig in. Er zijn opstanden geweest, in de afgelopen jaren. Oppositiepartijen met andere plannen. Volksbewegingen rond de vlag van Zimbabwe. Nieuwe hoop. Maar de gevestigde orde houdt vast aan haar macht, en de hoop lijkt vervlogen. Tafadzwa en Shingi: ze lijken niet te durven dromen van een betere tijd. Ze leven bij de dag, bij elkaar sprokkelend wat ze nodig hebben om van te leven. Zimbabwe – land van gebroken dromen…

Mr. & Mrs. Spin

Toen we laatst een weekendje weg waren kwamen we deze spinnen tegen. Fantastisch om ze een poosje te observeren!

Golden silk orb-weaver

Dit zijn meneer en mevrouw gouden-zijdespin. Meneer is van bescheiden formaat, ongeveer zoals de gemiddelde Nederandse spin. Mevrouw ziet er prachtig uit met haar geel-geringde poten en lijf. Ze is ook wat groter – wel een cm of 10 van poot tot poot.

20170407-DSC_3875-bewerkt

Mevrouw spin zorgt voor het eten (volgens Wikipedia eet het mannetje nauwelijks). Zodra er een vlieg, vlinder of kever in het gouden web verstrikt raakt, rent ze er heen om het arme slachtoffer te verdoven.

20170407-DSC_3849-bewerkt-bewerkt

Deze vlinder hing al even in het net en bewoog niet meer.

20170407-DSC_3857-bewerkt-bewerkt

Tijd om er een pakketje van te maken door er draden om heen te wikkelen.

20170407-DSC_3870-bewerkt

Zo kun je de vlinder gemakkelijk meenemen.

20170407-DSC_3883-bewerkt

En gezellig samen opeten!

20170407-DSC_3839-bewerkt

Is het eten klaar, dan worden de overblijfselen netjes opgeruimd op het prutbultje.

Neem ook eens een kijkje op Johannekes nieuwe blog!

Vulamkoko

Vijf jaar zijn we nu in Zambia, en in die tijd hebben we veel studenten zien komen, maar natuurlijk ook zien gaan. Het is leuk om deze oud-studenten van tijd tot tijd eens op te zoeken om te zien hoe het ze vergaat in hun gemeente.

Jacob en Dora hebben elkaar leren kennen tijdens de opleiding theologie, en zijn twee jaar geleden getrouwd. Inmiddels hebben ze een zoontje, Bernad, en zijn ze predikant in een dorp in Zambia’s Eastern Province. Voor de meeste beginnende predikanten ligt de eerste gemeente op het platteland. Vaak zijn ze voor de gemeente de eerste vaste dominee.

Gemeentes in Zambia zijn groot. Het is niet ongebruikelijk dat een gemeente 20 verschillende wijken heeft, met een kerkgebouw in elke wijk. Jacob en Dora wonen in Vulamkoko (uitgesproken als Voela-mkoko), een dorpje zo’n 17 km van de grotere plaats Katete. De gemeente bestaat uit dat dorp, en de verschillende dorpen in een straal van zo’n 35 km om Vulamkoko heen.

Eén van Jacobs eerste handelingen in Vulamkoko was het beginnen met de bouw van een nieuwe kerk. Op zondag kwamen er altijd meer mensen dan in de kerk pasten, dus wordt er nu een nieuwe muur om de kerk gebouwd waardoor de kerk in oppervlak verdubbelt. De gemeente heeft het geld nog niet om het werk af te maken, dus er staat nu een drie meter hoge muur, maar er zijn nog geen dak, vloer, of ramen.

Hermen en ik mochten in Vulamkoko iets vertellen aan de gemeente over het leven en de theologie van Maarten Luther – die 500 jaar geleden zijn stellingen aan de kapeldeur in Wittenberg spijkerde – en over het belang van onderwijs aan meisjes. Een vertaler maakte ons voor de gemeente verstaanbaar.

Onderwijs aan meisjes is niet vanzelfsprekend, en de redenen daarvoor werden door de gemeente herhaald. “Ik vind ook dat meisjes naar school moeten,” reageerde een vader, “maar mijn dochter is daar helemaal niet in geïnteresseerd.” Een meisje vertelde het tegenovergestelde: “Ik wil graag naar school, ik ben gemotiveerd, maar mijn ouders zeggen dat het niet zo hoeft.” En van een grootmoeder: “Mijn kleindochter wil zo graag naar school, maar haar moeder is arm, en ze heeft er het geld niet voor.”

Allemaal uitdagingen, die wij natuurlijk ook niet zomaar kunnen wegnemen. Mijn praatje ging erover dat onderwijs voor een meisje net zo belangrijk is dan voor een jongen. In Lukas 8:17 zegt Jezus dat je toch een lamp niet onder de korenmaat zet. Wie zijn dochters niet naar school laat gaan terwijl de zonen dat wel doen, doet precies dat: hij verbergt zijn dochter en verhindert haar licht te stralen.

Na onze presentaties nam Jacob ons mee naar het verste puntje van zijn gemeente, waar we een man ontmoetten wiens been was afgezet nadat hij er een brandend stuk hout op had gekregen. Een tijdje geleden had hij een kunstbeen gekregen, maar dat was te lang, en hij zocht naar nieuwe oplossingen.

Het is moeilijk om al deze hulpvragen aan te horen. Er is nog zoveel nodig – geld voor het vergroten van de kerk, voor het onderwijs aan meisjes, voor het been van de oude man – en wij kunnen niet veel verschil maken. Wat het nog schrijnender maakt is dat de mensen ons van alles gaven: vijf grote trossen bananen, een zak mais, drie kippen. Dat hebben zij toch veel harder nodig?

In de Afrikaanse manier van denken betekend een gift dat de gever en de ontvanger een relatie aangaan. En als de ontvanger rijker is dan de gever, dan plaatst de gift een morele verantwoordelijkheid op de ontvanger om iets terug te doen, om wanneer mogelijk van zijn rijkdom te delen. Ik voel die verantwoordelijkheid, maar kan niet veel meer doen dan wanneer ik een mogelijkheid zie weldoeners te koppelen aan Vulamkoko. En het zou kunnen dat dat moment nooit komt. Het blijft lastig, omgaan met ongelijkheid!

Blauwe handen

Terwijl ik dit typ, zijn mijn vingernagels nog steeds een klein beetje blauw na mijn reis naar Ghana. Na wat moeite om Ghana in te komen – omdat de Ghanese ambassade in Zambia 2016 in plaats van 2017 op mijn visum had gezet – was er eerst een conferentie even buiten de hoofdstad Accra.

De conferentie werd gehouden op een enorm complex van de Church of Pentecost. Vier jaar geleden hadden ze deze accommodatie voor 3000 personen gebouwd, en allemaal met eigen geld van hun 2 miljoen leden in Ghana. De Duitse ontwikkelingshulporganisatie Brot für die Welt had de kleine conferentie georganiseerd om te onderzoeken hoe Westerse organisaties met Afrikaanse Pinksterkerken kunnen samenwerken. De grote Pinksterkerken, zoals die waarbij we te gast waren, lieten vooral zien dat ze geen hulp van buiten nodig hebben. Aan de andere kant waren er vertegenwoordigers van kleinere Pinksterkerken die al met Brot für die Welt samenwerkten, wier projecten voor 95% door Europees geld gefinancierd worden. Het contrast was groot.

Na afloop van de conferentie bezocht ik onze collega Jasper Maas in Tamale, Noord Ghana, waar we de Church of Pentecost weer tegenkwamen. In allerlei dorpjes in de omgeving bouwen ze kerkgebouwen – en soms gaat dan een al lang bestaande Presbyteriaanse gemeente die nog altijd onder een mangoboom samenkomt, in zijn geheel over naar die kerk zodat ze een dak boven hun hoofd hebben. Begrijpelijk, maar ik vind het toch ook wel moeilijk als iemand van Protestantse huize.

Verder lag in de dagen dat ik er was het grootste deel van het kerkelijk leven stil, omdat iedereen bij de Crusade betrokken bleek, een grote evangelisatiebijeenkomst naast het voetbalstadion. Naar verluid heeft de Amerikaanse evangelist er mensen uit hun rolstoel laten opstaan en blinden laten zien en dergelijke – wij zijn er zelf niet geweest. De meerderheid in de regio is overigens moslim – soms werd ik al om drie uur ’s ochtends wakker van de gebeden die de geluidsinstallaties van de verschillende moskeeën in de buurt doorgaven. Maar moslimcollega’s van Jaspers vrouw vroegen ook vrij om bij het grote event van de Crusade te zijn – wel bijzonder dat moslims vrij willen om naar een kruistocht toe te gaan…

Op zaterdag kreeg ik mijn blauwe nagels – of hele blauwe handen eigenlijk. Jasper liet me het dorp Daboya zien. Onderweg kwamen we door uitgestrekte vlaktes waar in de regentijd water staat en rijst verbouwd wordt, en het laatste stukje was ook nu niet met de auto bereikbaar. In Daboya wordt kleding geweven. Overal in het dorp moet je over de uitgelegde draden heenstappen horend bij de weefgetouwen waar stroken stof geweven worden waarvan de traditionele kleding gemaakt wordt. En een deel van de draden is blauw geverfd door het te dopen in water met plantenresten. Ik mocht dat verven ook eens proberen, vandaar dat in het vliegtuig terug naar Zambia mijn handen nog blauw waren en nu mijn nagels nog wat blauw zijn.

Het was een leuke en interessante ervaring zo eens wat van Ghana mee te krijgen – in heel wat opzichten lijkt het op Zambia, maar er was toch ook weer veel nieuws te ontdekken!

Safari

Het is vakantie hier op Justo Mwale: tijd om er op uit te gaan en te genieten van de prachtige natuur in Zambia. Dit keer ook nog eens gecombineerd met familie bezoek – dubbel genieten dus. December is het regentijd, en volgens de handboeken niet het hoogseizoen voor safari’s. Vanwege het gras en de bladeren kun je minder ver kijken en de dieren zijn niet meer aangewezen op een paar plassen in het park. Aan de andere kant: in dit ‘emerald season’ is het heerlijk groen en zijn er veel jonge dieren. Volgens mij hebben we een goede tijd gekozen!

Lumimba Parish: Geloof op het platteland

Op Justo Mwale University is het vakantie-tijd, en de studenten zijn bezig met hun jaarlijkse vijf weken stage in een gemeente op het platteland. Hoe gaat het eigenlijk in de rurale gebieden van Zambia? We zochten een bevriende priester op in Eastern Province.

Father Bernhard komt uit Trier in Duitsland, maar woont al meer dan vijftien jaar in Zambia. Afgelopen jaar werd hij overgeplaatst naar Lumimba in het oosten van Zambia, in de buurt van Luambe National Park. Samen met drie andere paters heeft hij de opdracht om nieuwe initiatieven op het gebied van missie te ontwikkelen.

Lumimba Parish bestrijkt een gebied van meer dan 200 km van noord naar zuid, gelegen in de Luangwa vallei. In dit gebied liggen tientallen dorpjes. De dichtstbijzijnde verharde weg is drie uur hobbelen ver, maar Lumimba is het hele jaar door bereikbaar – wat de reden is dat dit gekozen is als het hoofdkwartier voor de paters. De priesters in Lumimba komen van de Sociëteit van Missionarissen van Afrika, ook wel bekend als ‘Witte Paters’.

De Luangwa vallei is een wildrijk gebied met verschillende nationale parken: South Luangwa, North Luangwa en Luambe National Park. In vroeger tijden leefden de mensen in dit gebied van de jacht. Ze denken er aan terug als een paradijselijke tijd, waarin je maar naar buiten hoefde te stappen of je kon een impala of wrattenzwijn schieten. Waarin je maar je hand omhoog hoefde te steken of je kon een stuk gedroogd vlees pakken dat aan de zolder hing te drogen. Als je alle tribale gemeenschappen van Afrika vergelijkt, dan stonden de bewoners van de Luangwa vallei op nummer één qua vleesconsumptie; ze aten zelfs tien keer zoveel vlees als de nummer twee. Tegenwoordig werkt het niet meer zo. In de nationale parken en ook in het gebied daarbuiten is de jacht verboden. Vlees, en zeker ‘bushmeat’ is niet vanzelfsprekend meer.

Dus zijn de bewoners van Lumimba Parish nu aangewezen op landbouw. Vlakbij de rivier is het land heel vruchtbaar. Wat je ook maar plant, het komt op en draagt rijkelijk vrucht. Maar die vruchtbare akkers overstromen bijna elk jaar. Het is een soort loterij: als je geluk hebt, heb je met maar weinig investeringen een superoogst, maar – veel vaker – heb je pech en verlies je alles.

Verder weg van de rivier heeft het land kunstmest nodig, waarvoor de boeren elk jaar een lening afsluiten. En elk jaar is het afwachten of het regenseizoen gunstig uitvalt. Naast maïs, bladgroente en tomaten voor de dagelijkse consumptie wordt er katoen verbouwd, en een beetje rijst. Dit jaar zijn de resultaten wisselend. Het heeft niet veel geregend. Sommige plekken hebben steeds op precies het goede moment regen gehad, op andere plekken is de oogst mislukt.

Gebrek aan regen is niet het enige probleem. In het regenseizoen, wanneer de gewassen groeien, komen de dieren graag naar de akkers om wat mee te pikken. Een impala of wat wrattenzwijnen zijn geen probleem. Maar als er een kudde olifanten of buffels door je veldje trekt ben je je oogst kwijt. Daarom slapen mensen op hun akker in de regentijd, op een platformpje boven de grond. Als er olifanten, buffels of apen aankomen beginnen ze te trommelen om de dieren weg te jagen.

Op onze reis naar Lumimba staken we verschillende nu droge rivieren over. Geen probleem met een vier-wielaandrijving. Maar zodra de regens beginnen wordt het moeilijk. Een deel van de grond is veenachtig en erg plakkerig. Van november tot juni is de weg die wij hebben genomen niet bereidbaar. Dat betekent dat grote delen van Lumimba Parish zeven of acht maanden per jaar onbereikbaar zijn voor motor voertuigen. De mensen weten dat: ze zorgen ervoor dat ze genoeg voorraden hebben om die tijd door te komen. Wie in de regentijd ziek wordt en een ziekenhuis nodig heeft, heeft pech.

Father Bernhard ging in één van de dorpjes langs bij een jonge vrouw met een zeer been. Haar been is opgezwollen en ze heeft wonden aan haar voet. Al tien jaar lang. Al tien jaar lang zit ze de hele dag voor haar hut. Ze gaat niet naar school. Haar ouders zijn bang om naar het ziekenhuis te gaan – want dan wordt het been er misschien wel afgehaald. Eén keer hebben ze de reis gemaakt naar het ziekenhuis van Lundazi, vier uur verderop. Daar konden ze niks voor het meisje doen, ze zou ervoor naar Lusaka moeten. Het ziekenhuis bood aan om vervoer per ambulance te regelen. Maar de ouders zagen het niet zitten. Het meisje kan niet in haar eentje naar Lusaka, dus er moeten familieleden mee. Ze kennen niemand in Lusaka. Ze weten niet hoelang het gaat duren. Father Bernhard biedt aan dat als de familie op eigen kracht naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis kan gaan, en het ziekenhuis dan het transport naar Lusaka regelt, dat de kerk dan kan helpen met contacten en accommodatie in Lusaka. De ouders denken er nog over na. Ze willen wel, maar in augustus gaat het waarschijnlijk nog niet lukken.

In de droge tijd, en vooral in juli en augustus, komen handelaars uit Chipata en Lundazi wekelijks met een gehuurde vrachtauto naar de dorpen. Ze verkopen kleurige kleding, plastic huishoudartikelen, speelgoed en fietsonderdelen. In deze tijd van het jaar doen ze goede zaken. De oogst is binnen. Op veel erven zien we één of twee balen katoen liggen – de opbrengst van de velden van de boer. Eén baal levert 300 kwacha op, ongeveer 30 euro. Daar gaan de leningen voor kunstmest en bestrijdingsmiddelen nog vanaf, maar iets zal er over blijven. Eind augustus is het geld weer op, en blijven de handelaren ook weg.

Lumimba bestaat niet alleen uit een kerk en een huis voor de paters, maar ook uit een grote school voor middelbaar en lager onderwijs. Er is net een nieuw schoolhoofd, op aandringen van de paters. Het vorige schoolhoofd werkte volgens het principe ‘als jij mij er niet bijlapt, lap ik jou er niet bij’. Resultaat was dat leraren soms maandenlang niet op kwamen dagen. Sinds kort eindigt elk schooljaar met een eindtoets om te kijken of de leerlingen op schema zijn. Vorig jaar zakten alle leerlingen in jaar zeven, zes, vijf, vier, en drie. In klas twee haalden de kinderen van een docent de toets.

Voor de eerste zeven jaar is er geen officieel schoolgeld, maar ouders moeten wel een uniform betalen, een bijdrage voor de eindtoets, en in klas zeven moeten de leerlingen ook een identiteitsbewijs hebben. Bij de waterput in Lumimba troffen we drie leerlingen. “Zijn jullie eruit gestuurd of hebben jullie vrij?” vroeg father Bernhard. “We zijn van school gestuurd,” was het antwoord, “want we konden niet betalen.” Twee van de drie zaten in jaar vijf, en moesten vijftien kwacha betalen. Voor de ander kwam er geld voor het identiteitsbewijs bij, hij moest vijftig kwacha betalen.

De school in Lumimba is een gemengde school, en veel kinderen blijven er ook ‘s nachts omdat hun ouders op afstand wonen. Sinds kort is er een aparte slaapzaal voor meisjes – de paar meisjes die voordien op school zaten sliepen bij de docenten thuis (en werden daar alsnog zwanger). De meisjes slaapzaal ligt zo ver mogelijk bij de slaapzaal van de jongens vandaan. Het nieuwe schoolhoofd heeft bepaald dat jongens en meisjes ‘s avonds niet meer samen mogen studeren, wat heeft geleid tot veel protesten bij de scholieren.

Een huis in Lumimba is vorig jaar omgebouwd tot mobiele kliniek waar mensen met eenvoudige kwalen terecht kunnen, en waar kinderen ingeënt kunnen worden. Maar er was geen sanitair, dus na een paar maanden is dat gestopt. De paters hebben met de dorpsoudsten van Lumimba en omliggende dorpen afgesproken dat er, zodra er een toiletgebouw is, weer begonnen wordt met de kliniek. Er zijn al stenen gebakken, maar verder gebeurt er nog niet zoveel, dus de kliniek is al bijna een jaar niet meer open.

In de regentijd, wanneer het even niet regent, zijn de dorpen om Lumimba nog wel bereikbaar met de fiets. Tenminste, zolang je met de fiets boven je hoofd getild door de rivier kunt waden. De vier paters die sinds vorig jaar in Lumimba wonen hebben er plezier in om het hele jaar door de dorpen te bezoeken. Hun gemeenteleden zijn daar wat verbaasd over. “Maar wij gaan alleen van juni tot oktober naar de kerk,” zei één van hen vorig jaar tegen father Bernhard toen hij in februari langskwam.

De kerk relevant laten zijn in alle maanden van het jaar, dat is de uitdaging voor de paters van Lumimba Parish. En gemakkelijk is dat nog niet. Waar in andere delen van het land gemeenteleden staan te springen om in de kerkenraad te komen is er hier vooral desinteresse. Uiteindelijk wordt er gestemd voor mensen die niet aanwezig zijn op de vergadering – en of dat goede kerkenraadsleden zullen zijn valt nog te bezien. De gemeenteleden zelf nemen nauwelijks initiatief; bijvoorbeeld voor het toiletgebouw bij de kliniek.

De kerk groeit wel – elk jaar zijn er volwassenen die zich laten dopen. Daarvoor krijgen ze twee tot drie jaar catechisatie, vooral over bijbelverhalen. Father Bernhard is wat somber over wat ze eigenlijk leren. Afgelopen zondag sprak hij een groep catechisanten. Hij vroeg: “Wie waren de apostelen?” De antwoorden liepen uiteen van Paulus tot Mozes tot Moffat – een bekende 19e eeuwse zendeling. De meesten komen na hun doop niet meer naar de mis.

Waarom willen deze mensen dan toch Christen worden? Wat betekent het voor hen? Father Bernhard heeft wel een idee. De kerk staat in Lumimba Parish voor contact met de wijdere wereld. De mensen in de Luangwa vallei weten dat hun woonplaats afgelegen is, en sommigen verlangen naar verbinding met de steden. De vrouwenvereniging van de kerk maakt vaak uitjes naar Lundazi of naar Chipata. Zo biedt de kerk contacten met de stad en de wereld, en dat is aantrekkelijk.

Is dat genoeg voor een kerk? Wat kan de kerk nog meer betekenen in Lumimba Parish? De vier paters houden een dagboek bij over hun pogingen om aanwezig te zijn en mensen te betrekken bij de kerk, in de hoop dat ze een formule vinden die werkt voor deze regio.

De tijd volgt de chief

Het afgelopen weekend was ik bij de jaarlijkse Nc’wala ceremonie van de Ngoni stam in Zambia. Helaas was Johanneke net de dag dat we vertrokken een bee20160228-P1060498tje ziek geworden, dus zij ging niet mee. Ik ging nu met de Rector van Justo Mwale en zijn vrouw en nog een ander domineesechtpaar uit de Reformed Church. De Rector is zelf een Ngoni. De Ngoni’s stammen af van Zulu-troepen die in de negentiende eeuw deserteerden uit het leger van Shaka Zulu in Zuid Afrika, en al plunderend noordwaarts trokken. Net als hun stamverwanten in Zuid Afrika en Swaziland is het belangrijkste ritueel van de Ngoni’s de Nc’wala, waar de voorouders en God bedankt worden voor de nieuwe oogst.

Elk Ngoni-dorp heeft een dorpshoofd, elk gebied een stamhoofd, en de tien gebieden in Zambia, Malawi en Mozambique hebben samen een opperstamhoofd of paramount chief. Aan het opperstam20160227-P1060433hoofd, Mpezeni IV, worden tijdens de Nc’wala de eerste vruchten van de nieuwe oogst aangeboden – en ook koelkasten en matrassen en dergelijke. Het hoogtepunt van de Nc’wala vormt het offeren van een zwarte stier waarvan het opperstamhoofd het rauwe bloed moet drinken. Koeien zijn erg belangrijk in het Ngoni-leven. Een koe is zoiets als je bankrekening; de bruidsschat voor een meisje wordt traditioneel ook uitgedrukt in koeien.

De ceremonie zou om 9:00 uur beginnen, maar we zaten om 8:00 uur al op onze VIP-plaatsen (de Rector is een belangrijk persoon) in het stadion. Omdat de president van Zambia ook zou komen, ging de weg later afgezet worden. Op het podium dansten verschillende Ngoni-groepen – vooral afkomstig van scholen en colleges – de traditionele militaristische dansen van de Ngoni’s, meestal gehuld in luipaard- of serval-vellen.

20160227-P1060377

De ceremonie zelf liet echter nog even op zich wachten. Als ergens politici bij zijn, begint het altijd al later hier, maar nu nog meer vanwege de gastheer Mpezeni. “Time moves with the chief,” legde de Rector uit: de tijd volgt het stamhoofd, en niet omgekeerd. Het is 20160227-P1060393verboden het stamhoofd op de tijd te wijzen, iets begint als hij er is. En ook ’s morgens mag het stamhoofd daarom niet gewekt worden, hoeveel belangrijke afspraken er ook op zijn agenda zijn, de afspraken beginnen als hij er is.

Zo rond 14:00 uur waren het stamhoofd, de president en twee oud-presidenten er. Het is verkiezingsjaar in Zambia dus het is voor politici belangrijk zich te laten zien. Mpezeni liet zijn toespraak voorlezen, maar wilde – niet helemaal nuchter – toen de president ook nog 20160227-P1060409persoonlijk toespreken. Na een toespraak van de president, waren er nog wat dansen en werd de stier geslacht. Helaas konden we dat niet zien – er stonden teveel mensen omheen – we zagen alleen een schaal met bloed gebracht worden naar Mpezeni. En daarmee was het ineens afgelopen.

’s Avonds waren we uitgenodigd voor het Koninklijke diner bij het lokale paleis van Mpezeni. Maar ook hier gold dat de ‘time moves with the chief’: toen om 22:00 uur na drie uur wachten de eerste mensen eten kregen, gingen wij maar weer naar onze slaapplek, omdat het er naar uitzag dat het nog wel een poos ging duren voordat wij aan de beurt zouden zijn. Op het kerkelijk centrum in de buurt waar we sliepen, vonden we nog wat maïskolven, warme melk met suiker en 20160227-P1060484droog brood, en de volgende dag vertrokken we weer voor de bijna 600 km naar Lusaka.

Ik was wat geschokt over de haast absolute macht die Mpezeni leek te hebben, temeer omdat het mij zo deed denken aan de richting die veel kerken hier uit lijken te gaan: dat je ‘man van God’ niet kunt tegenspreken. Ik hoop dat we niet toegaan naar een ‘the time moves with the man of God.’ Maar al met al was een bijzondere ervaring, heel leuk om wat van de tradities van de Ngoni’s te zien!