Praten over demonen

In de week dat Johanneke met haar studenten sprak over het bestaan van hekserij, was ik onze studenten ineens advies aan het geven over het uitdrijven van demonen. Dat was een erg vervreemdende ervaring.

Ik had verteld over overdracht van gevoelens in het pastoraat: ‘Als je als pastor in een pastoraal gesprek merkt dat je boos, bang of verdrietig wordt – ook al heeft het niks met het gespreksonderwerp op dat moment te maken, ga er dan maar vanuit dat je gemeentelid ook boos, bang of verdrietig is – let dus goed op welke gevoelens je hebt tijdens een pastoraal gesprek.’ Een student verbond dit met mensen die geesten en demonen in anderen kunnen onderscheiden. Predikanten die bekend staan om hun kwaliteit als geesten-uitdrijver voelen vaak ook heel goed aan welke gevoelens er leven in hun publiek. Dat lijkt misschien wel op de overdracht waar ik het over heb.

In de klas vroeg een volgende student mij zoiets als: ‘Ik begrijp dat counseling en praten heel belangrijk is, maar is een gebed niet veel effectiever als mensen bezeten zijn? Als dominee heb je misschien wel duizend mensen die je hulp nodig hebben.’ Terwijl ik dat in de Nederlandse setting nooit gedaan heb of zou doen, verbaasde ik mijzelf hier door mee te gaan praten. Ik zei dingen als: ‘Het werkt misschien wel om demonen pats-boem met een gebed uit te drijven, maar ik denk dat het beter is als je mensen helpt hun eigen demonen te bevechten.’ Ik ging in op de vragen over het uitdrijven van demonen: volgens mij is het beter en langduriger effectief om mensen te helpen hun eigen demonen te bevechten, net zoals het beter en langduriger effectief is om mensen zelf hun richting te laten vinden in plaats van ze adviezen te geven. Het voelde heel natuurlijk om mee te praten over demonen.

Maar kan ik het wel maken om zomaar over zulke dingen te praten, mijzelf zelfs autoriteit aan te meten, terwijl ik demonen uitdrijven nog nooit live heb gezien? Aan de reacties van de studenten kon ik niks vreemds merken. Niet iedereen was het met mij eens, maar dat waren ze ook niet toen ik net daarvoor had afgeraden al te snel met adviezen te komen in een pastoraal gesprek. De studenten leken het niet raar te vinden dat ik iets zei over demonen uitdrijven. Ik heb er eerlijk bij gezegd dat ik nog nooit demonen heb uitgedreven (niet dat ik het überhaupt nog nooit heb gezien…). Het onderwerp werd ook door de studenten zelf aangedragen.

Er wordt hier heel vanzelfsprekend over zaken als hekserij en demonen gesproken. In de Nederlandse setting zou de vraag ‘Gelooft u dat bezetenheid en hekserij bestaan?’ een beetje raar zijn; en als ik gedwongen werd te antwoorden, zou ik zeggen: ‘Natuurlijk niet.’ Hier in Zambia is de vraag ook een beetje raar, maar zou een afgedwongen antwoord luiden: ‘Natuurlijk geloof ik dat.’ Ik zeg dus dingen over demonen, maar geloof ik wel in demonen?

Het is een vraag die ik niet wil stellen vanuit mijn filosofische overtuigingen, maar ik denk dat deze vraag achter mijn twijfels zit. Ik ben er bang voor dat ik mijn studenten niet serieus neem, dat ik hun praten over demonen niet serieus neem. Reduceer ik het niet tot een vorm van wollig taalgebruik – ‘zo kun je ook over die psychologische processen praten’? Maar toen ik over psychologische zaken sprak, zagen zij daarin dat waar zij het over hebben wanneer ze over demonen praten…

Ik heb in Nederland eens preken en bijbelstudies gehouden over demonen waar ik erg tevreden over was. De strekking was dat elke keer als je denkt ‘ik kan niet anders dan…’ dan ben je in de greep van een geest, en dan gaat het erom te onderscheiden wat de goede geesten zijn die je drijven en wat de kwade en hoe je van die laatste verlost wordt. Met die uitleg kan ik heel veel, maar de vraag knaagt aan me of dat geen psychologiserende uitleg van de betreffende bijbelverhalen is.

Ik rechtvaardigde mijn uitleg in die bijbelstudies door te wijzen op het feit dat in het Oude Testament praktisch geen boze geesten voorkomen. Er is geen reden dat ze ineens zijn ontstaan, dus in Oudtestamentische tijden spraken ze met andere woorden over dat wat in het Nieuwe Testament ‘boze geest’ wordt genoemd. En dus is het toelaatbaar dat ik nu weer andere woorden daarvoor introduceer: het ‘ik kan niet anders.’

Ga ik er niet stiekem vanuit dat wat er gebeurt natuurlijk objectief voor iedereen hetzelfde is, maar dat ‘demon’ een fantasierijk woord is die de Nieuwtestamentische mensen en de mensen hier gebruiken voor iets waarvoor ik ‘overdracht’ of ‘ik kan niet anders’ gebruik? En dan, neem ik dan het praten over demonen door mijn studenten (en het Nieuwe Testament!) wel serieus? Maak ik van die taal niet een soort tweederangstaal – zoals je, als je dat graag wilt, een probleem ook een ‘uitdaging’ kunt noemen?

Ik zou er recht aan willen doen dat mijn studenten anders kunnen zijn dan ik, en ik wil er recht aan doen dat zij ook mensen zijn. Als ik gewoon meepraat over demonen, zoals ik vorige week deed, doe ik dan wel recht aan hun anders zijn? Doe ik dan niet alsof zij hetzelfde zijn als ik, in dezelfde wereld leven, dezelfde – wat ik zou noemen – psychologische processen ondergaan? Ga ik er dan niet klakkeloos vanuit dat zij in dezelfde wereld leven als die ik ken? Laat ik hen wel genoeg anders zijn, genoeg ruimte om anders te zijn dan ik? Maar als ik had gezegd ‘Demonen, daar weet ik niks van, dat is niet mijn cultuur,’ wat dan? Dan zou ik bang zijn dat ik ze niet genoeg serieus neem als mens, dat ik hen uitsluit van medemenselijkheid met mij.

Praten over demonen serieus nemen – ik weet nog niet goed hoe dat moet…

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s