Hebben ze in Zambia ook…

“Gaan jullie alvast de zon opzoeken?”, vroeg een collega mij vlak voor de vakantie. “Nou nee, we gaan naar Engeland en Wales…”, was mijn antwoord. En inderdaad komen we op een regenachtige dag aan in Hull. Wat zullen we doen? Meteen maar doorrijden naar het Sherwood Forest? Of rustig aan via een toeristische route? Toch maar het laatste. Dus parkeren we om half elf ’s ochtends onze auto bij een natuurgebied voor vogels aan de monding van de Humber. We willen onopgemerkt naar één van de vele kijkhutten lopen, maar zo werkt het niet. We horen al snel een stem achter ons: we moeten ons eerst melden bij de receptie, zodat we een stempel kunnen krijgen. Waarvoor we hier komen? “Voor een beetje frisse lucht”, stuntel ik in het Engels. Dat is niet het goede antwoord. Of we vogelaars zijn? Nee, ook al niet. Bij de receptie krijgen we uitleg over de kijkhutten en de vogels die we zouden kunnen zien. Een stempel krijgen we niet – misschien zijn we als bezoekers van het vogelreservaat gewogen en te licht bevonden…

Het is een heerlijke reisdag, zwervend tussen natuurgebieden en religieuze geschiedenis. Het liefst hebben we de combinatie van beide, zoals in eerdere vakanties de sacri monti in Italie (heilige bergen met daarop het levensverhaal van Christus afgebeeld), Newgrange in Ierland (waar elk jaar rond kerst de opgaande zon de grafkamer in schijnt), en de grotten en rotsspleten in Umbrië waar Franciscus van Assisi zich graag terugtrok. Voor de verbinding van spiritualiteit en natuur hoef je trouwens niet ver te reizen: het kerkelijk jaar draait prachtig mee met de seizoenen: de donkere dagen voor kerst; daarna vlak na de kortste dag het Licht dat de wereld in komt; en in het voorjaar de Opstanding die verbeeld wordt door alle lentebloemen die ontspruiten aan de kale grond. In Engeland schijnt de zon weliswaar nog niet, maar toch zijn we met onze gedachten regelmatig in Zambia: hoe zal het daar zijn? Hoe vier je eigenlijk kerst in de regentijd, zonder seizoenswisseling om symbolen aan te ontlenen?

Major Oak

 Iets van natuur en spiritualiteit hopen we op te snuiven in het Sherwood Forest, het eeuwenoude bos waar Robin Hood ooit heeft geleeft. Of… eeuwenoud? In werkelijkheid zijn er nog maar een paar stukjes echt oud bos over, met name rond Edwinstowe. Major Oak, genoemd naar een majoor die de boom in de 18e eeuw voor het eerst beschreef, is de bekendste grote oude boom in het Sherwood Forest. Zelfs om 9 uur ’s ochtends is het al druk in het bos met bezoekers en mensen in klederdracht de in standjes houten zwaarden, pijl en boog en houtsnijwerk verkopen – allemaal onderdeel van het Robin Hood-festival. Een religieuze connectie vinden we niet; niet eens van treehuggers of eco-spirituelen. De boom ziet er met zijn stalen ondersteuningsconstructie ook niet zo majestueus uit…

Graf van Wittgenstein

Ludwig Wittgenstein is Hermens filosofische held en nu hij ook vast over hem gaat lesgeven, wilde Hermen graag zijn Cambridge en zijn graf daar zien. We vonden de begraafplaats niet meteen, maar in het gemeentehuis waar we er naar vragen, komt Hermen bij het stadsarchief waar ze meteen de precieze plek van Wittgensteins graf opzoeken.         

Rond het graf van Wittgenstein lijkt een hele cultus te bestaan: op de eenvoudige steen liggen munten, een flesje wijn, gummibärchen, pen & potlood en een muffin. Op zijn minst bijzonder, voor een man die leefde op ‘melk en groente’, en voor wie eenvoud een belangrijk ideaal was. Kennelijk laten zijn geschriften ruimte voor allerlei gedachten die leiden tot deze grafgiften. Op zondag spreek ik na de kerkdienst een oud-trustee van de nalatenschap van Wittgenstein. Hij zou wel een PhD-student antropologie met een verborgen camera willen inzetten om te onderzoeken wat mensen allemaal doen bij het graf. Ik ben vooral ook benieuwd wat Wittgenstein er zelf van gevonden zou hebben! 

Het nabijgelegen graf van Sir James Frazer daarentegen is bijna overwoekerd – wij godsdienstwetenschappers doen niet aan gekke grafgiften…

Cambridge is een verrassend toeristische plaats. Busladingen met mensen uit Azië en Amerika overspoelen de straten, Colleges en Greens. Wij brengen de meeste tijd door in de boekhandel van de universiteitsdrukkerij. Wat is het heerlijk om weer godsdienstwetenschapper te zijn! Om te neuzen door de boeken in de boekhandel en te dromen over onderzoek dat ik zou kunnen gaan doen…

Dè ontdekking van Cambridge is wat ons betreft The Orchard, een boomgaard/theetuin op loopafstand van de stad. We lopen erheen door de weilanden langs de rivier Cam, waar mensen met bootjes aan het punteren zijn. Een heerlijke zonnige wandeling met een nog lekkerder lunch bij The Orchard als beloning.

The Orchard was het verzamelpunt voor de ‘Grantchester Groep’, een bont gezelschap bestaande uit Rupert Brooke (dichter), Bertrand Russell en Ludwig Wittgenstein (filosofen), E.M. Forster en Virginia Woolf (schrijvers), John Maynard Keynes (econoom), en Augustus John (schilder). Virginia Woolf noemde hen de ‘Neo-Pagans’ – maar ook hier vinden we niet de spiritualiteit die we tegenwoordig associëren met neopaganisten.

Vanuit Cambridge rijden we naar Halton, waar Hermens zus Jolanda woont. We volgen een route ‘avoiding low bridge’ en moeten vervolgens met de auto door een rivier naar de overkant. Lager gaat een brug toch echt niet, dacht ik… maar misschien is het een goede oefening voor rijden in Zambia? Ergens achter in ons hoofd speelt steeds de vraag: hoe zou het daar zijn? Bij het heerlijke kaasplankje dat Jolanda en Charles die avond voor ons klaarmaken: hebben ze ook kaas in Zambia? Bij de aflevering van Lewis die we kijken: wat is er op tv in Zambia?

Nu we Cambridge gezien hebben, gaan we ook maar naar Oxford; verleid door de verhalen van Charles over een enorm grote boekhandel. Er zijn zelfs boeken over Zambia! Ik koop een inleiding in de godsdienstsociologie en Hermen een boek over ethiek, om ons alvast voor te kunnen bereiden op de lessen die we gaan geven. De botanische tuin in Oxford is ook mooi, met kleurige bloemen en mensen die zeggen: “Moei iens kiek’n, die heb wij ok in de tuune stoan!”. (In mijn aller-aller-aller-naïefste dromen hoop ik dat de mensen in Zambia stiekem gewoon Drents praten…)

In de bossen van Sherwood vonden we verrassend weinig spiritualiteit. Het boek “The Druids” van T.D. Kendrick, dat ik als vakantieliteratuur mee heb, heeft daar wel een verklaring voor: in Engeland worden stenen eerder geassocieerd met spiritualiteit dan bossen. Vandaar dat de hedendaagse druïden zich verzamelen bij Stonehenge, en kennelijk niet in het bos van Robin Hood. Op weg naar Wales komen we langs de Rollright Stones, een grote steencirkel met in de buurt nog een paar groepjes staande stenen. Een mysterieuze omgeving, waar al veel mensen een verklaring voor hebben gezocht. Volgens een oud verhaal is de steencirkel ontstaan toen een heks de koning en zijn leger in stenen veranderde. Een groepje naburige stenen die met hun hoofden naar elkaar gebogen staan (de ‘Whispering Knights’) zijn ridders die een complot tegen de koning aan het smeden waren, maar ook door de heks betoverd werden. Kennelijk koos de heks daarin geen partij…

Rollright Stones

Volgens een andere legende is het onmogelijk om het aantal stenen van de steencirkel te tellen: je zou elke keer op een ander aantal uitkomen. Wie drie keer hetzelfde aantal stenen telt, mag een wens doen. Hermen doet zijn best, maar heeft ze maar één keer geteld…

Rond de steencirkel zien we sporen van activiteit – al dan niet spiritueel getint: midden in de cirkel heeft een vuur gebrand en we vinden een krans van korenaren op één van de Whispering Knights. Hier in Engeland zoeken mensen naar de spiritualiteit van vóór het Christendom. Ze noemen zich druïden of heidenen en vieren de wisseling van de seizoenen en het lengen en korter worden van de dagen. Hoe wordt er in Zambia omgegaan met het geloof van voor het Christendom? Welke gebruiken hebben in het Christendom een nieuwe betekenis gekregen? En hoe gaat men om met mensen die geen christen zijn?

Onze eerste stop in Wales is Tintern Abbey aan de rivier de Wye. Zoals zoveel vroegere kloosters is ook dit een ruïne. Hendrik VIII, die uit de katholieke kerk stapte, heeft alle kloosters opgeheven. Daarom is van het monastieke leven in Groot-Britannië weinig overgebleven. Tintern Abbey was het eerste Cisterciënzer klooster in Wales. De grootste bloei beleefde het klooster aan het eind van de 13e eeuw, toen er meer dan honderd monniken woonden. Op boerderijen in de buurt zorgden lekenbroeders ervoor dat het klooster zichzelf kon onderhouden. Na de pest in 1349 liep het aantal lekenbroeders en monniken sterk terug – in de 15e eeuw woonden er nog maar zes monniken.

Volgens de informatiefolder van het klooster werden lekenbroeders ook gewoon gewijd, maar hadden zij andere talenten: zij zetten zich in voor het klooster (en voor God) door te werken op het land, terwijl de monniken in het klooster geestelijk werk verrichtten. Maar wat is geestelijk werk? Het kopiëren van boeken heeft nog een zichtbaar resultaat, maar hoe zit dat met bidden en mediteren? Is dat evenveel waard als het werk van de landarbeider die voor het eten zorgt? Of maakt het niet uit of er een zichtbaar resultaat is of niet, als je maar je talenten volgt?

In de 19e eeuw werd het klooster weer populair: treinladingen vol ‘romantici’ kwamen de opkomst van de volle maan door het raam van de kloosterruïne bekijken. Dat is nog eens ‘natuurspiritualiteit’!

We overnachten in Swansea, de stad waar Hermens leermeester D.Z. Philips heeft lesgegeven en gewoond. Het is een wat treurige arbeidersstad – geen interessante universiteitsboekhandel gevonden, wel verschillende one-pound-winkels. Wat op zich niet onhandig is voor het inslaan van voorraden voor onze grote wandeling de volgende dag in de Brecon Beacons. De wandeling gaat van het middeleeuwse kasteel Carreg Cennen naar de veel oudere heuvelforten op Carn Goch: Y Gaer Fach (het kleine fort) en Y Gaer Fawr (het grote fort). Het kasteel is erg herkenbaar, maar de heuvelforten zijn wat minder duidelijk te zien. Ok, er liggen allerlei steenhopen op de heuveltop, maar is dat nou een fort? Kennelijk wel…

Van Swansea gaan we verder naar Tenby. Voor de kust ligt Caldey Island, waarover we in een boek over spirituele reisbestemmingen lazen: “Dit eiland, dat in de 6e eeuw voor het eerst door monniken werd bewoond, is vermaard om zijn ruige schoonheid en oude spiritualiteit”. Na het vinden van een hotel zijn we precies op tijd voor de boot naar het eiland. Dat is me een overtocht! De zee is ruig en onze kleine boot gaat hard op de golven op en neer. Af en toe komt er een golf zeewater over de boeg de boot in, die dan meestal precies in mijn gezicht of over mijn kleren heen gaat… Gelukkig komen we nat maar veilig aan de overkant aan.

Het grote klooster op het eiland ziet er niet bepaald oud uit, en is dat ook niet. Het gebouw stamt uit het begin van de 20ste eeuw. De priory iets verder op het eiland is wel oud, maar wordt niet meer gebruikt. Of de spiritualiteit op het eiland oud is, is een moeilijke vraag. De eerste monniken kwamen er in de 6e eeuw, maar in de volgende eeuwen is er regelmatig geen monastiek leven op het eiland geweest. Na de opheffing van de kloosters in de 16e eeuw kwam er pas in de 20ste eeuw weer een kloosterorde naar het eiland. Tegenwoordig wonen er ongeveer tien monniken. Vanaf de balustrade van de kerk kunnen we hun noengebed volgen. Mooi om hun spiritualiteit in actie te zien – maar aan de andere kant is het toch een beetje aapjes kijken.

Caldey Priory

In de priory zien we een andere traditie: op kartonnen kaartjes schrijven bezoekers gebedsintenties. Bijzonder interessant onderzoeksmateriaal, vindt de antropoloog in mij. Ik zou er zo een excel-bestand met onderwerpen en categoriën van kunnen maken. Familie, ziekte/gezondheid en de situatie in de wereld komen het meest voor als onderwerpen. Het meest treurig is het kaartje met daarop: “I pray that my mum will spend more time with me other than her phone”.

Van Tenby rijden we op zondagochtend naar St. David, genoemd naar de patroonheilige van Wales. We gaan in de kathedraal naar een anglicaanse dienst. De meeste teksten staan al vast; er wordt veel gezongen door het koor en helemaal aan het eind houdt de aartsdeken (die toevallig op bezoek is) een preek. De muziek vind ik mooi; Hermen voelt zichzelf meer toeschouwer dan deelnemer aan de kerkdienst. Hoe zouden de diensten in Zambia zijn? Vast heel anders dan met zo’n geschoold koor dat klassieke Engelse composities ten gehore brengt! 

Snowdon Mountain Railway

Maandag lijkt de meest onbewolkte dag van de week te worden, dus rijden we snel verder naar het noorden. Hermen wil Mount Snowdon beklimmen – en als het even kan nog iets van het uitzicht op de top meekrijgen. Ik ga met het treintje naar boven, en wandel dan mee terug. In al onze reisgidsen staat nadrukkelijk dat je een goede uitrustig nodig hebt om de berg te beklimmen: water, extra kleding en goede schoenen (logisch), maar ook een kompas en een fluitje, zodat je hulp kunt inschakelen. Ik maak mij al zorgen om Hermens tocht, maar er blijken zoveel mensen op weg naar boven en beneden dat je nooit meer dan 50 meter van anderen af bent… We hebben inderdaad een goede dag uitgekozen om de berg te beklimmen. Hermen vertrekt om half tien; mijn trein gaat om twaalf uur en doet er een uur over om boven te komen.

Wachtend op de trein lees ik verder over de druïden. Het eerste deel van het boek van T.D. Kendrick vind ik erg goed: hij probeert niet mee te gaan in de huidige claims over wat druïden deden en vonden en richt zich zuiver op de teksten die bekend zijn. Het wordt problematischer zodra hij moet gaan beschrijven wat dan de theologie van de druïden was – daar vertellen de teksten weinig over en wat er bekend is uit mythologie zegt weinig. Dan maakt de schrijver een gekke sprong: de druïden maken deel uit van een primitieve cultuur, dus we kunnen hun ideeën begrijpen als we kijken naar huidige primitieve volkeren, zoals stammen in Afrika of op Polynesië. Daarmee betrek je er volgens mij zoveel andere contexten bij dat de zuiverheid van de redenering naar de achtergrond verdwijnt.

Het hele boek ademt een evolutionistisch idee: er zijn primitieve volkeren die natuurkrachten aanbidden; en pas later, in een volgend ontwikkelingsstadium komen daar ethische en systematische gedachten bij. Als ik zie dat het boek uit 1927 komt, begrijp ik het beter… Maar ik blijf er moeite mee houden om het ene geloof te beschrijven als meer ontwikkeld, van een hoger niveau en daarmee eigenlijk beter dan het andere. Ik ben benieuwd hoe er in Afrika gedacht wordt over het leven voor het Christendom. Spelen er ook evolutionistische gedachten, of niet?

Top van Mount Snowdon

Hermen is (natuurlijk) al lang aangekomen als mijn treintje bovenkomt. Hij blijkt in een recordtempo naar de top gelopen te zijn (“Ja, ik heb best veel mensen ingehaald. En niemand heeft mij ingehaald.”) en geniet al een uur van het uitzicht. Als ik er ben, beginnen de wolken zich net rond de top te verzamelen. En wie zegt dat het eenzaam is aan de top, moet nog maar eens naar de foto’s kijken!

Anglesey staat – als eiland van de druïden, vol burial chambers en staande stenen – op mijn verlanglijstje van plaatsen om te bezoeken. De burial chambers zijn een soort van overdekte hunebedden. Waarschijnlijk zijn het begraafplaatsen geweest, en misschien hadden ze ook een religieus doel. Misschien zoals wij een religieuze ceremonie uitvoeren bij de begravenis van een naaste? Of zoals in de middeleeuwen rijken in de kerk begraven werden? Het voorzetsel ‘religieus’ wordt soms ook gebruikt om aan te geven dat de archeologen ook niet weten waar iets voor was, denken we.

De staande stenen zijn een minstens evengroot mysterie. Op Angelsey zijn geen steencirkels, alleen maar heel veel solitaire staande stenen. Waar hebben ze voor gediend? Hadden ze ook een ‘religieus’ doel? Of waren het wegwijzers? Hermen leest een boekje dat de verschillende mogelijkheden onderzoekt. Daar is de conclusie dat de stenen zonnewijzers waren. Tja, dat zou kunnen – als de zon toen vaker scheen (en volgens het boekje was dat zo). Maar helemaal overtuigend is het nog niet; want waarom zet je er dan twee naast elkaar? Of in een dal, in plaats van op de berg? Wij komen er ook niet uit…

Dolgellau (dol-get-h-lau) is onze laatste halte voor deze vakantie. Het stadje is opgetrokken uit donkergrijze stenen – bij regen wat treurig, maar mooi bij zonlicht. Boven de VVV is een expositie over Quakers. Eén van de eerste vrienden had een religieuze ervaring in de heuvels bij Dolgellau. Veel quakers zijn later naar de Verenigde Staten verhuisd. Ze zouden daar als Welshe andersdenkenden samen gaan leven, maar hun land bleek bij aankomst al aan anderen verkocht. De quaker-gemeenschappen die in Wales achterbleven waren te klein om levensvatbaar te zijn. Lastig om zo te emigreren: de achterblijvers zijn teleurgesteld en de verwachtingen in het nieuwe land komen niet uit.

Nog steeds met ons hoofd bij Zambia hopen wij op een achterban die ons volgt en steunt en een welkome aankomst! En we gaan het onderzoeken: hebben ze in Zambia ook

  • kersttradities;
  • wegen die zonder brug door de rivier gaan;
  • kaas;
  • Lewis op tv;
  • Drents;
  • herinterpretaties van oude tradities;
  • mensen die geen christen zijn;
  • klassieke, Engelse koren;
  • evolutionistische ideeën over religie?

Zodra we het weten zullen we het doorgeven!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s